BRUUT!
Gitaarriffs op een Hammond

Foto: Sanja Marusic

BRUUT! bestaat tien jaar. Dat viert het Amsterdamse kwartet met extra feestelijke optredens, vol materiaal van het uiterst dansbare vijfde studioalbum V. Spelen doen ze sinds dag één met een brede glimlach op het gezicht en gestoken in een strak zwart pak, met stropdas. Al vallen de mussen van het dak. Een gesprek met drummer Felix Schlarmann.

 

Het verhaal van de toevallige oprichting van de formatie is al vaker verteld, maar te mooi om niet kort in herinnering te roepen. Drummer Felix Schlarmann zit in 2009 op een Amsterdams terras pilsjes te drinken met Maarten Hogenhuis (saxofoon), Folkert Oosterbeek (hammondorgel) en Thomas Rolff (contrabas). Het zijn vrienden, die elkaar van het conservatorium kennen, maar niet uit dezelfde lichting stammen. Schlarmanns telefoon gaat. “Of ik geen bandje kan regelen voor het openingsfeest van de Hogeschool voor de Kunsten. Ik vraag de heren: ‘zullen wij spelen?’ En zo was de afspraak gemaakt. Tot een dag voor het feest bleek dat we om twaalf uur ’s nachts moesten spelen, in een volle Melkweg. Dat werd dus geen jazzschnabbel met een paar standards. We moesten er een serieus feestje van gaan maken. We zochten een paar van onze favoriete tracks van Benjamin Herman om te bewerken, nog wat aanverwant swingend materiaal en hebben ter voorbereiding stevig gejamd.”

“Folkert, van origine pianist, vond dat zijn sound voller en bruter moest zijn en koos voor een Hammond-sound op zijn keys. Met een uit nood geboren bezetting stapten we het podium op. Maar we deden wel alsof we jazz waren, stelden ons dicht op elkaar op en staken ons ook meteen in pak. Een naam hadden we ook al, want Folkert vond in die tijd alles wel bruut! Het hele concept was er binnen een dag, inclusief naam, imago en sound. De eigen nummers en die echte Hammond kwamen later.”

 

Hammond

De klassieke jazzbezetting met hammondorgel, zoals uit de jaren vijftig en zestig, heeft het kwartet qua sound nooit zo aangesproken. Schlarmann: “Folkert Oosterbeek is geen geboren Hammond-man. Hij is een pianist die zich met de klanken van dat orgel uitleeft. Vooral op V, het laatste album, kon hij met ook andere sounds van andere keys helemaal losgaan. Hij gebruikt zijn Hammond nooit op de traditionele manier. De riff in de openingstrack Lopez heeft ook meer weg van een gitaar. Het is inmiddels een publiek geheim dat hij ook helemaal niet graag naar die albums met een hammondorgel luistert. De rest van de band wel. Ik vind Jimmy McGriff helemaal te gek bijvoorbeeld.” Wie goed naar het brede repertoire van BRUUT! luistert, hoort dat naast oude jazzgoden, variërend van Lonnie Smith, Wayne Shorter, John Coltrane tot Oscar Peterson, modernere pophelden als Van Halen, Dick Dale, Michael Jackson en James Brown minstens even belangrijk zijn. “Het zit er allemaal in. En meer. We zijn alle vier opgegroeid in de eighties en nineties. We luisterden naar wat er hip was op de radio. Dat gebruiken we allemaal. Dat kan altijd, dat hoor je terug, dat is allemaal waardevol. Inclusief onze interesse in jazz, die van later stamt.”

 

Volledig instrumentaal

Alle vijf de albums van het kwartet klinken volgens de vijftien jaar geleden voor een studie op het conservatorium vanuit Duitsland naar Amsterdam verhuisde Felix Schlarmann (36) heel erg… eh, bruut! “De diversiteit aan invloeden en het grote aantal ideeën houdt het voor iedereen constant spannend. Van Led, vernoemd naar Led Zeppelin, met onze manier van rock maken, tot aan Sly, wat dan weer ontzettend jazz is, maar wel een melodie bevat die iedereen mee wil zingen.” Bij wijze van spreken toch, want de groep opereert nog altijd volledig instrumentaal. “De achtergronden verschillen, maar we doen het met contrabas, drums, orgel en sax. Slechts die vier zaken, en dat houdt de zaak altijd herkenbaar BRUUT! Ik wil de term guilty pleasure niet graag gebruiken, maar we gebruiken wel alles wat we leuk vinden. De track Saga van het album Superjazz is best heavy. Daar zit ons rockverleden volledig in. Ook is dat het geval met snelle heftige stuk Moj van het album Fire. Dat is live zowaar uitgegroeid tot een kraker op de podia.”

Voor het album V hadden de mannen vooraf een strak omlijnd plan. “We hebben het concept van onze eerste vier albums min of meer gestroomlijnd. Wat spelen we vaak? Wat vinden we zelf te gek om te horen? Welke grooves werken het beste? Wat voor soort stukken wilden we altijd nog eens maken zonder dat het er van gekomen is? En wat voor stukken zouden we best nog eens keer willen maken? We lieten ons inspireren door het eigen oeuvre en dat samenballen in een plaat die echt heel dansbaar moest worden. Dat laatste is gelukt”, vindt Schlarmann. “Het gevolg is ook dat we dit keer de uithoeken wat minder gezocht hebben. Wel staan opnieuw alle vier onze namen als componist onder de nummers. Iedereen heeft inbreng. Ik ga geen melodieën schrijven, maar ik heb er wel een mening over. Dat hebben we allemaal. Nooit brengt iemand iets mee, we nemen door wat we willen en beginnen. Vaak is het een groove waarmee we beginnen om iets uit te werken. Maar die kan, zoals bij die riff van Lopez, uit de Hammond van Folkert komen. Dat was er eerst. Sommige processen zijn lang, en dan durven we de het de volgende repetitie ook gewoon in zijn geheel weg te gooien. En soms is het in een half uur kant-en-klaar gepiept.”

Vanaf het eerste album hebben alle tracks slechts één woord als titel. “Lyrische titels passen niet bij ons. Kernachtige namen hebben meer kracht. Vaak slaan ze ook nog ergens op, of verwijzen ze naar iets. Als je goed luistert, hoor je in Klets een paar invloeden uit de klezmer (traditionele Joodse muziek, red.). PeeWee is een eerbetoon aan Paul Willemsen, onze vriend die samen met ons de productie van V op zich heeft genomen. Hij durfde beslissingen te nemen die we zelf nooit zouden hebben genomen. Ze pakten allemaal geweldig uit!”

 

Jazzinvloed

Op het podium is BRUUT! al jaren een sensatie. Het repertoire is breed en bovendien zijn de heren uiterst flexibel. “We kennen elkaar al lang en voelen elkaar blind aan. Folkert ontmoette ik op dag één van mijn tijd op het conservatorium, dat is dus al vijftien jaar, de andere twee zijn jonger en kennen we iets korter. Het geheim van de band is dat we alles kunnen sturen, inclusief het repertoire, afhankelijk van het publiek en de omstandigheden. We passen op ieder podium. Ook op een groot festivalpodium staan we dicht op elkaar. Of we nu daar spelen of in een club of theater, we horen elkaar altijd. We kunnen improviseren met de omstandigheden, dat is de jazzinvloed. Ik heb geen monitor nodig om Maarten te horen als hij naast me staat. Eén set op een festival is uiteraard anders van opbouw dan twee in een club. Maar we weten altijd goed waar we heen willen. Dat is onze popgedachte. We zetten een geheel neer, met strakke overgangen. We denken als een popband. In een strak zwart pak, dat dan weer wel. Dat houden we aan. In die tien jaar hebben we slechts één keer ons jasje uitgetrokken. Op verzoek van het publiek dat zich zorgen maakte dat we anders niet zouden overleven. Dat was in Afrika, bij een temperatuur van boven de 45 graden. Die jassen waren doorweekt.”